Mijn vermoeden dat in de hoogtijdagen van Marcuse de universiteiten als paddenstoelen uit de grond schoten wordt bevestigd door de uitgave “Universiteit Antwerpen nu” van Lode Craeybecx uit 1962, een betoog, op schrift gesteld door het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Wat mij opvalt is dat de strekking in deze tekst uit 1962, en de wikiediapagina uit de dag van vandaag, dat die twee een zo ver uiteenliggend beeld geven van de geschiedenis van mijn alma mater. Want de orwelliaanse online bronnen doen voorkomen alsof er sinds mensenheugenis de RUCA en de UFSIA waren en dat de Universiteit Antwerpen de heugelijke samentrekking was van deze eeuwenoude instituten, terwijl de tekst van Lode een soort stormachtig betoog is dat Antwerpen nu toch eindelijk een universiteit moet hebben en er nog geen enkele had. Want ik ga het een en ander citeren.
Is dit een doortrapt bronnenonderzoek. Nee, zeker niet, dit is een vermoedend zoeken, waarbij enkele citaten uit een papieren boek dat ik nu in handen heb nu eenmaal prangend genoeg zijn om in deze reeks te worden opgenomen.
Per land wordt er opgesomd hoezeer de universiteiten opspringen. “Duitslands universitaire uitbouw”, “Italië: nieuwe universiteiten op grond van regionale noden”, “Frankrijk: explosion des ecoles”. Van Engeland wordt gezegd dat er sinds het einde van de laatste oorlog (1945) tot nu (1962) vijf nieuwe universiteiten zijn opgericht. Volgens Lode zullen er tot 1970 al 40 nieuwe universiteiten zijn opgericht. Met andere woorden, er heeft een enorme hausse van studenten plaatsgevonden in die jaren.
“Dezelfde gretigheid die eens de goldrush teweegbracht, drijft nu tienduizenden naar verovering van wetenschap” (P78)
“zo verbazend is de universitaire aangroei, zoals die zich sinds het oorlogseinde voltrekt, dat hierbij wel een ongerustheid werd uitgesproken: waar moet dat heen?” (P77)
“In Nederland had reeds tijdens de jongste jaren een snelle vermeerdering der studentenaantallen plaats, doch steil omhoog loopt de curve die de aangekondigde toevloed voor de eerstkomende tijd verbeeldt. Engeland zoals Duitsland voorzien verdubbeling van de huidige aantallen. Naar sterker expansie streeft echter Frankrijk: 600.000 universitairen in 1970 luidt daar de prognose, want de uitgesproken wil van wetenschapsbeleid is daar, Frankrijks getaande roem en gefnuikte macht in de wereld te vergoeden door een verblindende intellectuele opgang.” (P77)
Waar is deze eeuw van de universiteit gebleven in ons collectief geheugen? Toen Herbert Marcuse nog een jonge bachelorstudent was bestond dat woord nog niet, maar wat wel bestond was de Revolutie, die werd uitgevochten door de jongelingen, de net uit de loopgraven kwamen gekropen of hun brood verdienden in de fabriek in de eeuw daarvoor, maar die zeker niet, zoals in mei ’68, op school of de universiteit zaten
“in 1900 waren, van de 100 Amerikanen, 38 werkzaam in de landbouw – in de primaire sector- in 1965 zullen dat er nog 11 zijn. In 1900 arbeidden er 29% in de industrie (secundaire sector), in 1965 zullen het er 27% zijn. Van beide genoemde sectoren worden meer en meer actieven aangezogen door de tertiaire: de handel, de distributie, de administraties, het onderwijs, de schone kunsten, de liberale beroepen, enz”
Zeg ik iets nieuws? Nee, dat zou gevaarlijk zijn. Ik breng alleen die tendens in herinnering, vanuit die tijd, de Eeuw van de Universiteit, de explosie van het voortgezet onderwijs; het idee, nee DE idee, dat het proletariaat, de revolterende meerderheid, de bruisende jeugd, dat die niet, zoals in de negentiende eeuw, uit de fabrieken kwam, dat die niet, zoals in 1918, uit de loopgraven kwamen gekropen om zich danwel tot het communisme danwel tot het fascisme te bekeren, nee, die pulserende, boulverserende maatschappelijke kracht was nu eenmaal de studentenpopulatie. De arbeider van 1848, de veteraan van 1918 en de student van 1968, ze zijn allemaal dezelfde jongeman van 20 jaar.
De universiteiten van Antwerpen, Tilburg, Eindhoven, Brussel, Enschede, Rotterdam, ze zijn allemaal als paddenstoelen uit de grond geschoten en de illustere zaaltjes als de Agnietenkapel, die de Universiteit van Antwerpen zijn Romelusmythe moet geven, weegt niet op tegen het voortdurende doorbouwen van de ene na de andere faculteit op de Roeterseiland of het Engelsklinkende Science Park en hetzelfde kan zonder meer gezegd worden van de Universteit Antwerpen. De zoektocht naar nieuwe panden is een constante.
Dus wat heeft dit alles met de vlinder te maken? De vraag naar kennis, naar studie, naar paradoxen, naar revolutie, naar een groots en meeslepend leven, naar betekenis in een wereld waarin de arbeider als zodanig niet meer van belang is, de plicht die roept niet meer, nergens meer, noch van de fabrieken, noch van het slagveld. Werkloosheid, dan maar nog een jaartje studeren, doe dat maal 50.000 studenten en er kan weer gezocht worden naar nog een braakliggend terrein om een nieuw faculteitsgebouw feestelijk te openen. Opium voor het volk, geef ze een pint en een een cursus en ze zullen wel koest blijven.
Want wie nu studeert op een Europese universiteit staat niet in lange traditie maar in een hele korte traditie. De universiteiten zijn niet minder van plastic dan de Amerikaanse campusuniversiteiten, de invention of tradition van een kapel waar Vossius nog gespeecht zou hebben, de banden met een of ander klooster of het vernoemen naar Erasmus is maar een vernislaagje op het plastic van de bezigheidstherapie die de universiteit feitelijk is. Het visserslatijn van de faculteiten en de studentenverenigingen is niet veel beter dan de Griekse TLA die bij onze tweelingbroer aan de overkant van de oceaan in zwang zijn.
Is dat opzich niet al veelzeggend? Dat als ik het krukje van de eeuwenoude traditie onder De Academie vandaan trek, dat het dan al lijkt alsof de feitelijke argumentatie in duigen uiteen valt? Moet ik eigenlijk nog wel retorische en logisch de aanval openen op de sociale wetenschappen, of is het neerhalen van de instituten als zodanig al voldoende om mijn argument te maken? Kan ik mijn publiek meekrijgen als ik mijn vertoog verderzet richting de logica, richting de inhoudelijke argumentatie? Of moet ik nu met bewijs komen dat alle Europese universiteiten nep zijn, dat de zogenaamde instituten in het leven zijn geroepen omdat er geen werk meer was in de fabriek en op het veld? Of is dat de makkelijke weg, een historisch discours omdat ik niet genoeg getraind ben om filosofisch te denken? Zou doorvorsen een vlucht zijn voor originele denkwerk? Ja, en ik heb er ook geen zin in. Ik gebruik de quotes en ga door naar het volgende boek.
Universiteit Antwerpen NU.
Zakendoen in Vlaanderen
Op een dag had ik een opdracht om een video te bewerken, die ik aan het neefje van mijn vriendin ging geven, omdat hij student audiovisuele media was. Om gevoel te krijgen bij hoeveel ik hem ongeveer moest betalen had ik een oproepje geplaatst op een freelancewebsite, waar veel Nederlandse freelancers op actief waren. Maar…
De macht van de historicus
Geschiedenis is de studie van verhalen die feitelijk zouden moeten zijn. Geschiedenis is niet, zoals je zou denken, de studie naar het verleden. Talloze studies houden zich bezig met het verleden. Archeologie, bijvoorbeeld, bestudeert het menselijke verleden aan de hand van bodemvondsten. Geologie bestudeert het verleden aan de hand van de bodem zelf. Genealogie bestudeert…
De lucht is groen!
Ik was net aangenomen op mijn eerste baan als verkoper van video’s en daar was een afvalrace aan voorafgegaan waarbij ik dus als één van de winnaars uit de bus was gekomen en om dat te vieren ging ik in mijn eentje nog een flink potje zuipen waarbij de nacht eindigde op de bovenste verdieping…

