Pape Jan en het Middeleeuwse denken

Het is moeilijk om het middeleeuwse denken serieus te nemen. Fantasiewezens en wonderen zijn alomtegenwoordig en hebben een grote invloed op het denken en handelen van mensen uit die tijd. In de teksten die bewaard zijn gebleven wordt geen onderscheid gemaakt tussen feit en fictie, waardoor het voor historici moeilijk wordt om op een ‘wetenschappelijke’ manier met dit tijdvak om te gaan. Eén van die moeilijk te plaatsen thema’s is het Rijk van Pape Jan. Ergens op het continent ‘Asia’ zou een groot rijk liggen, dat bestuurd zou worden door een zeer machtige priester-koning die vele koningen aan zich zou hebben onderworpen. Niet alleen dat: de toren van Babel, het aards Paradijs en de berg Olympus zouden in zijn rijk liggen, dat bewoond zou worden door centaurs, faunen, cyclopen en Amazones.

Hoe onwaarschijnlijk het voor ons ook is, verhalen van Pape Jan pasten naadloos in denkwereld van de middeleeuwer en speelden zelfs een rol in de kruistochten en in de latere ontdekkingsreizen naar het oosten. Om enigszins te kunnen begrijpen hoe dergelijke fantasieën zo veel invloed konden hebben moeten wij ons verplaatsen in de middeleeuwse gedachtewereld. In deze tekst gaan we, met de Brief van Pape Jan in de hand, stap voor stap proberen om die gedachtewereld te benaderen. Daarnaast gaan we kijken naar één van de ontdekkingsreizigers die de reis naar ‘Pape Jansland’ effectief heeft ondernomen: Joos van Ghistele uit Vlaanderen.

De eerste bron is de Brief van Pape Jan, die in 1165 geschreven is aan de keizer van Constantinopel, Manuel I. De brief lijkt een vertelsoep te zijn met de Bijbel, de Griekse verteltraditie en volks bijgeloof als ingrediënten. Over wie de brief heeft geschreven bestaan veel theorieën, maar vast staat dat de brief bekend was in de twaalfde eeuw en ook bijdroeg aan de bereidwilligheid om kruistochten te ondernemen. De vele mythologische verwijzingen in de brief doen ons vreemd aan. Een tekst vol opzichtige fantasie-elementen kan onmogelijk een serieuze diplomatieke betekenis hebben, zouden wij denken. De eerste denkstap die we moeten zetten is dat een tekst met fantasie-elementen juist wel als een tekst met autoriteit werd gezien.

Wij beschouwen tegenwoordig onze zintuigen als de belangrijkste bron van kennis. Wanneer we iets met eigen ogen hebben gezien dan staat onomstotelijk vast dat het waar is. Voor middeleeuwers golden geschreven teksten als ultieme bron van kennis, met als belangrijkste tekst de Bijbel. Observaties moesten dus altijd in overeenstemming zijn met wat in de Bijbel stond. Hetzelfde gold voor niet-Bijbelse teksten die autoriteit genoten, zoals de teksten van Plato en Aristoteles. Als er conflict ontstond tussen datgene wat werd waargenomen en de waarheid zoals die geschreven stond dan woog het laatste het zwaarst. Er werd op zo’n manier geredeneerd dat de observatie toch in de waarheid zou passen zoals het was overgeleverd. De grote intellectuele uitdaging in de Middeleeuwen was dus niet het maken van modellen waarin observaties passen maar het maken van modellen waarin geschreven teksten en observaties correspondeerden met de Bijbel. Door een veelvoud aan elementen uit teksten met autoriteit te gebruiken in de Brief van Pape Jan gaf de schrijver de tekst autoriteit. De fantasie-elementen versterkten dus de geloofwaardigheid van de tekst, in plaats van dat ze er afbreuk aan deden.

Daarnaast keken middeleeuwers op een andere manier naar tijd en ruimte. Zij zagen dit op een minder willekeurige en een meer monistische manier dan wij doen. Er was bijvoorbeeld een minder sterk onderscheid tussen tijd en ruimte. Het is moeilijk om het middeleeuwse tijdruimte paradigma te vatten, maar om te beginnen kan men zich alvast bedenken dat informatie over een gebeurtenis op tien dagen reizen afstand er tien dagen over deed om de ontvanger van informatie te bereiken. Er was geen lijnverbinding die informatie kon vervoeren los van fysieke verplaatsing. Fysieke verplaatsing (in de ruimte) was dus onlosmakelijk verbonden aan tijd.

Om het tijdruimte principe verder te begrijpen kan het beste gekeken worden naar de mappa mundi, de middeleeuwse wereldkaart. Deze kaart is niet zozeer gebaseerd op observaties van hoe de ruimtelijke wereld eruit ziet als wel op hoe de wereld er in tijd en ruimte uitziet op basis van de Bijbel en oude teksten. De kaart heet ook wel een OT-kaart. Hiermee wordt verwezen naar de vorm van de kaart, namelijk een T in een O. De O is de oceaan die als een ring de wereld omsluit en de T zijn de drie zeeën die de wereld opdelen: de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Rode Zee. Hierin is Jeruzalem het centrum, op de kruising van de T. Jeruzalem was ook de bron van het goede, terwijl oorden ver van Jeruzalem meer ruimte bieden voor het kwade.

Jeruzalem is niet alleen het centrum van de ruimte, maar ook het ‘centrum van de tijd’. Jeruzalem is zowel de plek waar Christus is gestorven en opgestaan (of: sterft en opstaat), als ook de eeuwige stad en het thuis van Christenen na het eindoordeel, alsook de plek waar het Laatste Oordeel geveld zou worden. Bovendien zou de schedel van Adam er begraven liggen en zou het kruis gemaakt zijn van de boom van kennis van Goed en Kwaad. Kortom, alles kwam samen in Jeruzalem. Als we hier het ruimtetijd denken van de middeleeuwse christenen op los laten dan wordt duidelijk dat zij met de kruistochten het einde zelf dichterbij brachten door zich te verplaatsen naar het centrum.

De tweede bron is een Middelnederlandse bron uit ca. 1500. Het is een beschrijving van een ontdekkingsreis door de edelman Joos van Ghistele, opgeschreven door de verder onbekende Ambrosius Zeebout. Eén van de belangrijkste redenen van Van Ghistele om zijn reis te ondernemen was de zoektocht naar het rijk van Pape Jan en het bezoeken van het graf van St. Thomas, zoals beschreven wordt in het bijgevoegde bronfragment. Het reisverslag is al wat minder fantasierijk dan de brief, maar de overtuiging van het bestaan van het rijk was een belangrijke drijfveer voor het ondernemen van de reis. Drie eeuwen later waren mensen dus nog altijd overtuigd van het bestaan van het Rijk van Pape Jan.

Het Oosten, Asia of India was groter en rijker dan Europa. Wat Europeanen meekregen van het Oosten bevestigde dit beeld. Handel- en reisverslagen uit Perzië, India en China toonden aan dat er in het Oosten meer rijkdom te vinden was dan in het Westen. Bovendien spelen de Bijbelverhalen zich af in het oosten en ligt het oosten dichter bij Jeruzalem. Tegelijkertijd was de hele wereld onderworpen aan Christus. Europa was door Petrus de apostel gekerstend. Zijn overblijfselen zijn begraven in Rome en de Paus regeert als opvolger van Petrus en als plaatsvervanger van Christus op aarde. Alle koningen, hertogen en graven van Europa hebben trouw gezworen aan de Paus. Het Oosten nu was gekerstend door Thomas de apostel en werd geregeerd door Pape Jan, aan wie alle koningen trouw zouden hebben gezworen.

Het rijk van Pape Jan moest dus wel bestaan, omdat anders Christus niet over de wereld zou heersen. In de brief staat vermeld dat niet alle koningen christen waren, maar dat ze wel allemaal trouw waren aan Pape Jan. Zo werd dus verklaard dat niet de hele wereld christelijk was, zoals bleek uit de waarneming, maar dat uiteindelijk de hele wereld wel degelijk aan Christus onderworpen was. Het is dan ook daarom dat ontdekkingsreizigers zoals Joos van Ghistele zo gedreven waren om Pape Jan te ontmoeten.

Er zijn enkele historische christelijke gemeenschappen buiten Europa die als voorbeeld zouden hebben gediend voor de legende van Pape Jan. Vertrekkende vanuit het graf van St. Thomas zou het Rijk van Pape Jan kunnen verwijzen naar de christelijke gemeenschap in India, dat door de apostel Thomas (deels) gekerstend zou zijn. Anderzijds spreekt het reisverslag van Joos van Ghistele van mensen die donkergekleurd zijn door de zon en noemt het expliciet Namibië en Ethiopië. Hier waren en zijn eveneens christelijke gemeenschappen waar het thema van Pape Jan op losgelaten kon worden.


Er zijn ook verschillende theorieën over hoe en waarom bronnen als de Brief van Pape Jan zijn ontstaan. Het gevaar bestaat echter dat historici hieruit proberen de legende te reconstrueren en aannemelijk proberen te maken dat er genoeg aanleiding was voor middeleeuwers om te geloven in het rijk van Pape Jan. Als we de middeleeuwse denkwereld beter willen begrijpen dan loont het echter om de omgekeerde weg te bewandelen. Het zijn niet observaties die het geloof Pape Jan tot stand hebben gebracht. Het rijk van Pape Jan was een noodzakelijk deel van de middeleeuwse wereld, gebaseerd op enerzijds de oude teksten en anderzijds op de politieke werkelijkheid in Europa. Middeleeuwers hoefden dus niet overtuigd te worden dat Pape Jan en zijn rijk bestonden. Europeanen die in een later tijdperk het Oosten bereikten, zoals Joos van Ghistele, moesten er van worden overtuigd dat het rijk van Pape Jan
niet bestond.

Advertenties

Energie en informatie

Industrial-revolutionIemand uit 1650 die in het jaar 1750 terecht zou komen zou niet in een existentiële crisis belanden. Hetzelfde geldt voor een 1750’er die 1850 binnenstapt. Bepaalde gebruiksvoorwerpen zullen verder doorontwikkeld zijn, de mode zal anders zijn en er zal meer exotisch voedsel te krijgen zijn, maar de tijdreiziger zal zich snel aan kunnen passen. Een 1850’er echter die in het jaar 1950 terechtkomt zou gelijk krankzinnig worden. “Waar is het haardvuur?! Hoe kan het dat ik licht zie branden zonder dat ik een kaars zie?! Hoe bewegen de wagens zich voort?! Wat zijn die ijzeren vogels?! Hoe kan het dat ik kleine mensen zie in deze doos?! Waarom wordt er tegen een hoorn gesproken alsof het een persoon is?!” Waar de tijdreiziger mee wordt geconfronteerd, is dat de Industriële Revolutie zich zonder hem heeft voltrokken.

De essentie van de Industriele Revolutie wordt vaak verkeerd gevat. Gemompel over stoom, kolen en staal, machines, massaproductie en de arbeidersklasse en daarmee moeten we het maar doen. De nadruk wordt gelegd op het fabriekswezen en de sociale gevolgen daarvan. Maar er is een veel essentielere omslag in de negentiende eeuw die volgens mij nog onder de noemer ‘Industriële Revolutie’ valt en als ze dat niet doet deze doet verbleken. De grote Verandering, waar onze tijdreiziger zo mee werd geconfronteerd, is dat energie is losgetrokken van de natuur.

Voor de Industriële Revolutie bestond energie niet. De kracht van wind, vuur, grote dieren, mensen en waterstroom gaf de grens aan van het mogelijke. Licht en warmte kon niet bestaan zonder vuur. Communicatie op afstand ging maar zo snel als een paard lopen kon. Bij windstilte kon er niet worden gevaren en kon graan niet worden gemalen.

Toen kwam de ontdekking dat er bij verbranding energie kon worden omgezet. Naar stoom, naar een op- en neergaande beweging, naar een draaiende beweging, naar spanning op koper, naar licht, naar warmte en terug naar beweging. Door dit op een effectieve wijze te doen kon er harder worden gedraaid dan met wind, kon er sneller worden bewogen dan een paard en kon er meer licht en warmte worden geproduceerd dan vuur. Energie kon in golven door de lucht worden gestuurd zodat er in codes schrift, spraak, muziek en later zelfs bewegend beeld kon worden verplaatst over lange afstanden. De wereld was onherkenbaar veranderd. Alles was energie geworden.

In de Digitale Revolutie, waar we nu middenin zitten, is een soortgelijke ontwikkeling gaande. Waar in de 19e eeuw energie is ontdekt en eindeloos is toegepast is in onze tijd ‘informatie’ ontdekt en overal toegepast. Alles is informatie en wordt bewaard in een ruimte die we het internet noemen. Op het internet bestaat geen schaarste. Informatie kan eindeloos vaak worden omgezet in beeld of geluid. Ik noem beeld en geluid omdat computers op dit moment hoofdzakelijk de vorm hebben van een scherm met speakers. Als de komende jaren ons gehele huishouden bestaat uit computer(s) dan zal ook ons begrip van informatie drastisch uitbreiden. Als voorwerpen (3D-printer) en voedsel worden gereduceerd tot informatie dan leven we in een nieuwe wereld. De 1950’er die een bezoekje komt brengen aan het jaar 2050 zal zich wederom kapot schrikken. En wij ook, moesten we het proces niet stapje voor stapje meemaken.